Onuitwisbaar bloed in de Bloedpoort
Marten Zeilinga vertelde de Friese volksverhalenverzamelaar A.A. Jaarsma in 1969 een verhaal, dat zich had afgespeeld in de Bloedpoort;
“In de Bloedpoort in Den Haag was een donkere kamer. De muren zijn helemaal vol met namen beschreven. Sommige zijn met bloed geschreven, en kan men er nooit meer afkrijgen.”
De Bloedpoort te Scheveningen was in het begin van de 20e eeuw een sociaal zwak en nogal roerig woonbuurtje dat vanwege schommelingen tussen fictie en werkelijkheid nogal veelbesproken en veel beschreven werd. Een buurtje als dit werd indertijd ook wel werd aangeduid als een poort of een hof. De bewuste naam reikte terug tot de 19de eeuw toen een slager of slachter zich in 1851 op de hoek van het hofje en de plaatselijke dorpsstraat vestigde; het pand werd omgebouwd tot een Slagthuis met bovenwoning. Door het slachten van rundvee toentertijd aan huis en het reinigen ‘s avonds van die slachtplaats, liep het met bloed vermengde water het hofje of poort uit de dorpsstraat in. Daarmee was in de volksmond de opmerkelijke naam geboren. (Bron: Wikipedia)